Er zijn niet veel "originele" artiesten die én hun eigen gang gaan én 'in de markt' blijven. Peter Gabriel was een tijdlang zo'n artiest van wie je rijkhalzend uitkeek naar de nieuwe plaat, net als Prince en Talk Talk. Artiesten die op hun eigen voorwaarden platen maken en hun eigen verhalen vertellen.
Kate Bush is in dezer tijden de meest consistente artiest wat dat betreft. Kwalitatief gesproken dan; ze is na haar album "The Red Shoes" eerst nog 'ns 12 jaar van de radar verdwenen.
Typerend voor deze tijden waren er meteen geruchten over haar 'kluizenaarschap'. De redenen waren veel 'aardser'; ze wilde haar zoon Albert ('Bertie') op zien groeien en er kwam gewoon een tijd geen nieuw materiaal.
Haar beste album tot dan toe was "Hounds of Love", een groots geluid (vooral van de hitsingles 'Cloudbusting' en 'Running Up That Hill').
Mijn favoriete track is het spookachtige en onheilspellende 'Watching You Without Me'.
Het album Aerial uit 2005 werd bijna schouderophalend ontvangen; mooie orkestraties en prachtige zang, maar geen 'hitsingles' (voor wat dat waard is) en eerlijkgezegd heeft het voor mij een een tijd geduurd voor ik het album echt 'te pakken' kreeg of eigenlijk, meer andersom.
Het is één van de 'rijkste' albums die ik ken, van jazzy bas-solootjes, muziek die overgevlogen lijkt uit de Barok-tijd ('Bertie') en flamenco-klanken worden afgewisseld met merels en een achtergrondkoortje die het getal Pi zingen... Een vijf-gangen-menu van een plaat!
En na een het uitbrengen van het herbewerkings-album 'Director's Cut' dit jaar is er bijna onverwacht het winter-album '50 Words For Snow'.
De pijlers zijn vier trage piano-ballads, de me doen denken aan de mooi opgenomen jazz-platen van het ECM-label. Er is veel ruimte voor stiltes en wat kleine toevoegingen van meesterdrummer Steve Gadd en bas-maestro Danny Thompson.
De single van de plaat is het sfeervolle 'Wild Man'.
Het patroon wordt duidelijk: Kate Bush maakt geen albums voor haar publiek; ze lokt haar publiek haar rijke wereld in, dit keer over 50 woorden voor sneeuw, de Yeti en sex met een sneeuwman...net als andere grote artiesten zijn er geen grenzen over wat deze dame bedenkt!
Er zijn geruchten over een tournee (ze heeft haar eerste en enige tour halverwege afgekapt in 1979) en er schijnen zelfs weer halve plannen te zijn voor een nieuw album!
(PS: ik was vanochtend aan deze blog begonnen en net zag ik dat er een documentaire over Kate Bush voor was met fans van diverse pluimage, leeftijd en achtergrond. Er zijn nogal wat fans die Kate bijna Mystieke talenten toedichten...terwijl ze zelf in interviews overkomt als een behoorlijk down to earth type die wel moet lachen om alle tekstverklaringen van haar songs..)
zondag 27 november 2011
zaterdag 19 november 2011
Het debuut
Waarin een onbetekenend combo de minst beluisterde plaat aller tijden opneemt
Niet veel mensen kennen "Helltown" nog. De oprichters zélf al haast niet meer.
Hun eerste elpee "Welcome to..." werd regionaal aardig verkocht, maar omdat de regio noord-west-Brabant zeker in de jaren '60 dunbevolkt en armlastig was waren vierhonderd exemplaren het maximaal haalbare. Men was daar meer van gezellige accordeon-muziek en carnavals-stampers. Eigenlijk nog steeds wel.
Driehonderd elpees werden verkocht in de drie platenzaken die Roosendaal rijk was.
Vijftig gingen er naar familie en vrienden en de laatste vijftig werden een jaar later uitgereikt als troostprijs tijdens een voetbaltoernooi van voetbalvereniging de Kogelvangers, die traditioneel met dubbele cijfers wonnen van V.V. Oudemolen. Ook nu weer: 12-2.
"Welcome to..." was (naar horen zeggen) geen slecht album; vier covers van Chuck Berry-songs, twee eigen composities (van Piet Lokers en Bram Moerland) die deden denken aan de Yardbirds, en wat Stones- en Beatles-covers.
Dries Patijn (later bekend als André Moss) blies mee op de alt-sax.
![]() |
| Vlnr. Bram Moerland (bas), Piet Lokers (zang, harmonica,zingt hier een bespreking uit de Muziek Express), Ferry Verhagen (gitaar) en Ben Knepper (drums) |
Het is lastig de opname-data op te sporen, waarschijnlijk begonnen de eerste sessies in februari '65 in de "Muziekstudio de Witte" in Roosendaal; gedurende twee dagen werd kant één opgenomen. Het bleef een tijd een raadsel waarom dat per sé zo moest; alle nummers 'op volgorde' op band zetten.
Later werd duidelijk dat nogal bijgelovige drummer Ben Knepper van mening was dat dat de enige manier was om een elpee te maken en was hierin zo overtuigend dat producer Henk de Witte er weinig heil in zag om deze robuuste Brabander tegen te spreken.
Overigens waren het zware sessies voor Ben; gewend geraakt aan een drumstel die voor de helft uit kartonnen dozen bestond had hij de grootste moeite met de fraaie geleende Ludwig-set.
De sessies voor kant twee duurden drie dagen; de band was praktisch al door het repertoire heen en de twee Lokers-Moerland-composities werden tussen de sessies door snel geschreven en geoefend.
De LP is nu onvindbaar. Het verhaal wil dat de vijftig exemplaren die naar V.V. Oudemolen waren gesluisd onverklaarbaar opdoken als achtereenvolgens derde prijs in het zaalvoetbaltoernooi in Klundert in 1968 en als troostprijs in een regionaal damtoernooi een half jaar later.
Gelukkig ging Helltown ook verder, ware het twee jaar, een naamsverandering en personeelswisselingen later. Bram zou een jaar later de mastertapes ritueel verbranden, of dat een artistiek statement was of een kwestie van een verkeerde mix van Geestverruimende Middelen werd pas jaren later duidelijk.
Piet Lokers later of dit nu legendarische album: "We waren zo rond de twintig in die tijd, dus we dachten bijna nergens echt goed over na. Misschien hadden we wel de hoop op een wereldhit met die eerste plaat, maar eigenlijk kwam die opnamesessie veel te vroeg. Lokers had ineens een bak met geld en we konden ineens de opnamestudio in en hadden zelfs geld over om André Moss méé te laten blazen.
Pas een jaar later waren we echte de band die we moesten zijn, maar dat was een paar honderd optredens later."
Volgende keer; de overgang naar de acid-rock en meer over de 'duistere jaren' van deze band en de lange zoektocht naar een goeie bandnaam tot een pot pindakaas uitkomst biedt!
vrijdag 4 november 2011
De Beste Gitaristen Ter Wereld: Deel 2: George Harrison
De Vergeten Gitarist, tenminste; in mijn muziekarchieven was hij ondergesneeuwd door snellere, meer virtuoze gitaristen en zelfs binnen de Beatles vond ik hem zelfs een tijdje niet eens de beste gitarist!
McCartney speelde de vlammende solo in Taxman, John deed de solootjes in Get Back.
Maar, gelukkig al vóór de terechte herwaardering via de mooie film "Living In the Material World" begon ik van gedachten te veranderen.
Dan heb ik het niet uit de goed-ingestudeerde solootjes van de eerste paar platen; de jongen die op z'n kamer Chuck Berry-loopjes ontleedde, maar de meer zelfverzekerde rocker. Hier horen we hem met de swingende backing van Ringo en het vervlochten gitaar-en-baswerk van John en Paul.
De Indiaanse muziekjes op Revolver en Sgt. Peppers waren niet zo aan mij besteed en werden (en zijn nog steeds) vaste skip-tracks. Pas ten tijde van de Witte Dubbelaar dook George weer op in meer Westerse klanken; hij zag inmiddels in dat hij vijftien jaar te laat op de sitar was begonnen en pakte z'n Gibson weer op. En na het Oosterse zoekwerk begon hij z'n twee ervaren vakbroeders te evenaren met twee evergreens op Abbey Road: Here Comes The Sun (gecomponeerd in de achtertuin bij de opgaande zon in gezelschap van maatje Eric Clapton):
En zijn Beatles-hoogtepunt (voor het eerst op single op de A-kant); het magistrale Something en maar weinig gitaristen is het gegeven zo'n mooie solo te spelen!
McCartney speelde de vlammende solo in Taxman, John deed de solootjes in Get Back.
Maar, gelukkig al vóór de terechte herwaardering via de mooie film "Living In the Material World" begon ik van gedachten te veranderen.
Dan heb ik het niet uit de goed-ingestudeerde solootjes van de eerste paar platen; de jongen die op z'n kamer Chuck Berry-loopjes ontleedde, maar de meer zelfverzekerde rocker. Hier horen we hem met de swingende backing van Ringo en het vervlochten gitaar-en-baswerk van John en Paul.
De Indiaanse muziekjes op Revolver en Sgt. Peppers waren niet zo aan mij besteed en werden (en zijn nog steeds) vaste skip-tracks. Pas ten tijde van de Witte Dubbelaar dook George weer op in meer Westerse klanken; hij zag inmiddels in dat hij vijftien jaar te laat op de sitar was begonnen en pakte z'n Gibson weer op. En na het Oosterse zoekwerk begon hij z'n twee ervaren vakbroeders te evenaren met twee evergreens op Abbey Road: Here Comes The Sun (gecomponeerd in de achtertuin bij de opgaande zon in gezelschap van maatje Eric Clapton):
En zijn Beatles-hoogtepunt (voor het eerst op single op de A-kant); het magistrale Something en maar weinig gitaristen is het gegeven zo'n mooie solo te spelen!
maandag 17 oktober 2011
De Beste Gitaristen Ter Wereld: Deel 1: Leo Kottke
Ik had al eens eerder zo'n serie op Hyves, waaruit bleek dat dat niet echt het beste medium is voor meer tekst en uitleg...
Leo Kottke is inmiddels alweer 65. Zijn opkomst viel samen met het verbreden van de Folk- en Countrymuziek aan het van de jaren '60 begin jaren '70 van de vorige eeuw. Z'n eerste platen zijn dan ook met backing band en is hij zingend te horen. Over z'n eigen stem is hij niet enorm lovend: "Like geese farting on a muggy day", is de laconieke omschrijving.
Kottke heeft een laconieke stijl; z'n optredens zitten vol met erg grappige anekdotes over z'n familie en zijn belevenissen in de muziekbusiness. Het is geen gitarist die uitzinnige podiumkunsten vertoont, maar z'n vingers en handen het werk laat doen.
Hij doet me denken aan andere folk- en country-gitaristen als Chet Atkins en Doc Watson; het slag dat elkaar wel een leuke solo gunt en veel meer echt samen speelt dan de jazz-jongens die elkaar proberen op snelheid af te troeven (verderop in de serie; elkaar aftroevende jazz-jongens!).
Eerst maar 'ns een ontspannen deuntje in de kleedkamer van Leo met zijn Voorbeelden. Dit is een clip uit een DVD van Kottke zelf en exemplarisch; hij is hier vooral zijn collega's aan het begeleiden!
Leo Kottke is inmiddels alweer 65. Zijn opkomst viel samen met het verbreden van de Folk- en Countrymuziek aan het van de jaren '60 begin jaren '70 van de vorige eeuw. Z'n eerste platen zijn dan ook met backing band en is hij zingend te horen. Over z'n eigen stem is hij niet enorm lovend: "Like geese farting on a muggy day", is de laconieke omschrijving.
Hij doet me denken aan andere folk- en country-gitaristen als Chet Atkins en Doc Watson; het slag dat elkaar wel een leuke solo gunt en veel meer echt samen speelt dan de jazz-jongens die elkaar proberen op snelheid af te troeven (verderop in de serie; elkaar aftroevende jazz-jongens!).
Eerst maar 'ns een ontspannen deuntje in de kleedkamer van Leo met zijn Voorbeelden. Dit is een clip uit een DVD van Kottke zelf en exemplarisch; hij is hier vooral zijn collega's aan het begeleiden!
zaterdag 8 oktober 2011
Mark Hollis
Tijd doet iets raars met muziek.
Achteraf is het soms eigenlijk helemaal niet zo goed als je dacht net na aanschaf.
Ik heb platen in de eerste weken na aanschaf grijsgedraaid en daarna nooit meer.
Opvallend vaak met Sting-albums, maar dit terzijde.
In 'het groot' is het niet anders. Er waren ooit veel fans van Four Non Blondes, om maar eens wat te noemen.
En sommige artiesten waren en zijn enorm goed, maar belanden bij de verkeerde platenmaatschappij die hun werk niet waardeert. En worden dus niet verkocht.
Eind jaren '80 was Talk Talk volledig op een zijspoor geraakt na de artistieke triomf, maar commerciële flop "Spirit of Eden". Geen hitsingles of dansbare beats.
Weggebonjourd bij EMI tekenden ze een contract voor twee albums bij Polydor. De eerste werd "Laughing Stock", alweer een prachtig album, maar ook deze belandde in eerste instantie in de 'te verwaarlozen' catagorie.
Net als "Spirit of Eden" was de muziek nauwelijks in een hokje te plaatsen, het geluid op Laughing Stock is wat ruwer en donkerder; er is meer 'rock' aanwezig.
Het tweede album voor Polydor werd een soloproject van Mark Hollis. Inmiddels was de link met rock of pop helemaal weg; Hollis nam de kans om zowel in de arrangementen als in het instrumentarium iets te bedenken dat het midden hield tussen ballades en kamermuziek. Deels was er de kern van gitaren (Dominic Miller, Robbie McIntosh), bas (Chris Laurence), drums (Mark Ditcham) en toetsen (Lawrence Pendrous), maar ook een volledige houtblazerssectie met klarinet, fluit, Engelse hoorn en twee fagotten.
En de bekende naam van de geniale harmonicaspeler Mark Feltham dook weer op.
Het bijzondere van dit album is het directe geluid ervan; er werden twee microfoons neergezet en de instrumenten werden 'in de ruimte' opgenomen; de drums wat naar achteren, spelers schoven soms van links naar rechts.
In de openingstrack "The Colour of Spring" wordt meteen de toon gezet...de eerste twintig seconden is het stil, zoals stilte al een grote rol speelde op de laatse Talk Talk-albums...
Achteraf is het soms eigenlijk helemaal niet zo goed als je dacht net na aanschaf.
Ik heb platen in de eerste weken na aanschaf grijsgedraaid en daarna nooit meer.
Opvallend vaak met Sting-albums, maar dit terzijde.
In 'het groot' is het niet anders. Er waren ooit veel fans van Four Non Blondes, om maar eens wat te noemen.
En sommige artiesten waren en zijn enorm goed, maar belanden bij de verkeerde platenmaatschappij die hun werk niet waardeert. En worden dus niet verkocht.
Eind jaren '80 was Talk Talk volledig op een zijspoor geraakt na de artistieke triomf, maar commerciële flop "Spirit of Eden". Geen hitsingles of dansbare beats.
Weggebonjourd bij EMI tekenden ze een contract voor twee albums bij Polydor. De eerste werd "Laughing Stock", alweer een prachtig album, maar ook deze belandde in eerste instantie in de 'te verwaarlozen' catagorie.
Net als "Spirit of Eden" was de muziek nauwelijks in een hokje te plaatsen, het geluid op Laughing Stock is wat ruwer en donkerder; er is meer 'rock' aanwezig.
Het tweede album voor Polydor werd een soloproject van Mark Hollis. Inmiddels was de link met rock of pop helemaal weg; Hollis nam de kans om zowel in de arrangementen als in het instrumentarium iets te bedenken dat het midden hield tussen ballades en kamermuziek. Deels was er de kern van gitaren (Dominic Miller, Robbie McIntosh), bas (Chris Laurence), drums (Mark Ditcham) en toetsen (Lawrence Pendrous), maar ook een volledige houtblazerssectie met klarinet, fluit, Engelse hoorn en twee fagotten.
En de bekende naam van de geniale harmonicaspeler Mark Feltham dook weer op.
Het bijzondere van dit album is het directe geluid ervan; er werden twee microfoons neergezet en de instrumenten werden 'in de ruimte' opgenomen; de drums wat naar achteren, spelers schoven soms van links naar rechts.
In de openingstrack "The Colour of Spring" wordt meteen de toon gezet...de eerste twintig seconden is het stil, zoals stilte al een grote rol speelde op de laatse Talk Talk-albums...
Forget our fate
The pedlar sings
Set up to sell my soul
I've lived a life for wealth to bring
And yet I'll gaze
The colour of spring
Immerse in that one moment
Left in love with everything
Soar the bridges
That I burnt before
One song among us all
The pedlar sings
Set up to sell my soul
I've lived a life for wealth to bring
And yet I'll gaze
The colour of spring
Immerse in that one moment
Left in love with everything
Soar the bridges
That I burnt before
One song among us all
Een plaat als "Spirit of Eden" klinkt alsof het in een kathedraal is opgenomen, deze plaat klinkt bijna alsof de musici bij je in de huiskamer plaatsnemen. De thema's zijn donker zo gaat A Life (1895-1915) over de jonge dichter Roland Leighton die omkomt in de Eerste Wereldoorlog. Sommige songs hangen zo los aan elkaar dat de samenhang af en toe bijna wegvalt.
Na het uitbrengen van dit album en na wat hand- en spandiensten voor anderen is Mark Hollis gestopt met het maken van muziek. Als je de twee laatste albums van Talk Talk en zijn solo-album kent is het een triest, maar bijna logisch vervolg. Vermoedelijk was het de combinatie van slechte ervaringen met 'de industrie' en het feit dat Mark Hollis zijn verhaal heeft verteld.
Zijn laatste 'publieke' actie was het in ontvangst nemen van een prijs voor "It's My Life" in 2004...
Een beetje een ongemakkelijke foto; ik krijg de indruk dat Mark net uit z'n Vauxhall Astra is gestapt, snel op verzoek even poseert en na het uitwisselen van wat beleefdheden na vier minuten alweer op weg naar huis is....
Het eigenaardige is dat de 'roep' om een come-back te maken steeds luider wordt.
Getuige bijvoorbeeld dit artikel op de Guardian-blog.
Volgend jaar verschijnt er een tribute-album en de invloed van Talk Talk/Mark Hollis blijft aanwezig.
Ik zelf denk dat de kans op terugkeer klein is; de muziekindustrie is nog net zo cynisch als vijftien jaar geleden en de verwachtingen zijn waarschijnlijk te hoog gespannen!
Dus voorlopig maar blijven genieten van die paar prachtige albums en dit fraaie, bijna vergeten, meesterwerk!
Abonneren op:
Posts (Atom)
